a Ro 14:8 b 1Co 6:19 c 1Co 3:23 Tit 2:14 d 1Pe 1:18,19 1Jo 1:7 1Jo 2:2,12 e Heb 2:14 1Jo 3:8 Joh 8:34-36 f Joh 6:39 Joh 10:28 2Th 3:3 1Pe 1:5 g Mt 10:30 Lu 21:18 h Ro 8:28 i 2Co 1:22 2Co 5:5 Eph 1:14 Ro 8:16 k Ro 8:14 1Jo 3:3
Vr.2. Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat
gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?
Antw. Drie stukken a. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en
ellende zijn b. Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende
verlost worde c. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal
dankbaar zijn d.
a Mt 11:28-30 Eph 5:8 b Joh 9:41 Mt 9:12 Ro 3:10 1Jo 1:9,10 c Joh 17:3 Han 4:12 Han 10:43 d Eph 5:10 Ps 50:14 Mt 5:16 1Pe 2:12 Ro 6:13 2Ti 2:15
a Ro 3:20
Vr.4. Wat eist de wet Gods van ons?
Antw. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth. 22:37-40: Gij zult
liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met
geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote
gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als
uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten a.
a De 6:5 Le 19:18 Mr 12:30 Lu 10:27
Vr.5. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Antw. Neen ik a; want ik ben van nature geneigd God en mijn
naaste te haten b.
a Ro 3:10,20,23 1Jo 1:8,10 b Ro 8:7 Eph 2:3 Tit 3:3 Ge 6:5 Ge 8:21 Jer 17:9 Ro 7:23
a Ge 1:31 b Ge 1:26,27 c Eph 4:24 Col 3:10 2Co 3:18
Vr.7. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des
mensen?
Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en
Eva, in het paradijs a, waar onze natuur alzo is verdorven geworden,
dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden b.
a Ge 3:1-24 Ro 5:12,18,19 b Ps 51:5 Ge 5:3 (* Ps 51:5 AV = Ps 51:7 SV)
Vr.8. Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij
ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antw. Ja wij a; tenzij dan dat wij door den Geest Gods
wedergeboren worden b.
a Ge 6:5 Ge 8:21 Job 14:4 Job 15:14,16,35 Joh 3:6 Jes 53:6 b Joh 3:3,5 1Co 12:3 2Co 3:5
a Eph 4:24 b Ge 3:13 1Ti 2:13,14 c Ge 3:6 Ro 5:12
Vr.10. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval
ongestraft laten?
Antw. Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk a
beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig
oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen b; gelijk Hij gesproken
heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in
het boek der wet, om dat te doen c.
a Ge 2:17 Ro 5:12 b Ps 50:21 Ps 5:5 Na 1:2 Ex 20:5 Ex 34:7 Ro 1:18 Eph 5:6 (* Ps 5:5 AV = Ps 5:6 SV) c De 27:26 Ga 3:10
Vr.11. Is dan God ook niet barmhartig?
Antw. God is wel barmhartig a, maar Hij is ook rechtvaardig b;
daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste
majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan
lichaam en ziel gestraft worde.
a Ex 34:6,7 Ex 20:6 b Ps 7:9 Ex 20:5 23:7 34:7 Ps 5:4,5 Na 1:2,3 (* Ps 7:9 AV = Ps 7:10 SV, Ps 5:4 AV = Ps 5:5 SV, Ps 5:5 AV = Ps 5:6 AV)
a Ge 2:17 Ex 23:7 Eze 18:4 Mt 5:26 2Th 1:6 Lu 16:2 b Ro 8:4
Vr.13. Maar kunnen wij door onszelven betalen?
Antw. In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks
meerder a.
a Job 9:2 Job 15:15,16 Job 4:18,19 Ps 130:3 Mt 6:12 Mt 18:25 Mt 16:26
Vr.14. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden
worden, dat voor ons betale?
Antw. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld
straffen, die de mens gemaakt heeft a; ten andere zo kan ook geen
bloot schepsel den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde dragen en
andere schepselen daarvan verlossen b.
a Eze 18:4 Ge 3:17 b Na 1:6 Ps 130:3
Vr.15. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en
Verlosser zoeken?
Antw. Zulk een, Die een waarachtig a en rechtvaardig b
mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk
waarachtig God is c.
a 1Co 15:21 b Heb 7:26 c Jes 7:14 Jes 9:6 Jer 23:6 Lu 11:22 (* Jes 9:6 AV = Jes 9:5 SV)
a Eze 18:4,20 Ro 5:18 1Co 15:21 Heb 2:14-16 b Heb 7:26,27 Ps 49:7 1Pe 3:18 (* Ps 49:7 AV = Ps 49:8 SV)
Vr.17. Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God
zijn?
Antw. Opdat Hij, uit kracht Zijner Godheid a, den last van den
toorn Gods b aan Zijn mensheid zou kunnen dragen c, en ons
de gerechtigheid en het leven zou kunnen verwerven en wedergeven d.
a Jes 9:6 Jes 63:3 (* Jes 9:6 AV = Jes 9:5 SV) b De 4:24 Na 1:6 Ps 130:3 c Jes 53:4,11 d Jes 53:5,11
Vr.18. Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk
waarachtig God a en een waarachtig b rechtvaaardig mens is
c?
Antw. Onze Heere Jezus Christus d, Die ons van God tot
wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing
geschonken is e.
a 1Jo 5:20 Ro 9:5 Ro 8:3 Ga 4:4 Jes 9:7 Jer 23:6 Mal 3:1 (* Jes 9:7 AV = Jes 9:6 SV) b Lu 1:42 Lu 2:6,7 Ro 1:3 Ro 9:5 Php 2:7 Heb 2:14,16,17 Heb 4:15 c Jes 53:9,11 Jer 23:5 Lu 1:35 Joh 8:46 Heb 4:15 Heb 7:26 1Pe 1:19 1Pe 2:22 1Pe 3:18 d 1Ti 2:5 Mt 1:23 1Ti 3:16 Lu 2:11 Heb 2:9 e 1Co 1:30
Vr.19. Waaruit weet gij dat?
Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het
paradijs heeft geopenbaard a, en daarna door de heilige patriarchen b
en profeten c laten verkondigen, en door de offeranden en andere
ceremoniën der Wet laten voorbeelden d, en ten laatste door Zijn
eniggeboren Zoon vervuld e.
a Ge 3:15 b Ge 12:3 Ge 22:18 Ge 49:10 c Jes 53:1-12 Jes 42:1-4 Jes 43:25 Jes 49:5,6,22,23 Jer 23:5,6 Jer 31:32,33 Jer 32:39-41 Mic 7:18-20 Han 10:43 Han 3:22-24 Ro 1:2 Heb 1:1 d Heb 10:1,7 Col 2:7 Joh 5:46 e Ro 10:4 Ga 4:4 Ga 3:24 Col 2:17
a Mt 7:14 Mt 22:14 b Mr 16:16 Joh 1:12 Joh 3:16,18,36 Jes 53:11 Ps 2:12 Ro 3:22 Ro 11:20 Heb 4:3 Heb 5:9 Heb 10:39 Heb 11:6
Vr.21. Wat is een waar geloof?
Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis,
waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard
heeft a, maar ook een vast vertrouwen b, hetwelk de
Heilige Geest c door het Evangelie in mijn hart werkt d,
dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige
gerechtigheid en zaligheid e
van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus
wil f.
a Jak 2:19 b Heb 11:1,7 Ro 4:18-21 Ro 10:10 Eph 3:12 Heb 4:16 Jak 1:6 c Ga 5:22 Mt 16:17 2Co 4:13 Joh 6:29 Eph 2:8 Php 1:19 Han 16:14 d Ro 1:16 Ro 10:17 1Co 1:21 Han 10:44 Han 16:14 e Ro 1:17 Ga 3:11 Heb 10:10,38 Ga 2:16 f Eph 2:8 Ro 3:24 Ro 5:19 Lu 1:77,78
Vr.22. Wat is dan een Christen nodig te geloven?
Antw. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt a, hetwelk ons
de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom
leren.
a Joh 20:31 Mt 28:19 Mr 1:15
Vr.23. Hoe luiden die Artikelen?
Antw.
1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
2. En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;
3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria;
4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en
begraven, nedergedaald ter helle;
5. ten derden dage wederom opgestaan van de doden;
6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;
7. vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
8. Ik geloof in den Heiligen Geest.
9. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der
heiligen;
10. vergeving der zonden;
11. wederopstanding des vleses;
12. en een eeuwig leven.
Vr.25. Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen
is a, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heilige Geest?
Antw. Omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft b,
dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.
a De 6:4 Eph 4:6 Jes 44:6 45:5 1Co 8:4,6 b Jes 61:1 Lu
4:18 Ge 1:2,3 Ps 33:6 Jes 48:16 Mt 3:16,17 Mt 28:19 1Jo 5:7 Jes 6:1 Jes 6:3 Joh
14:26 Joh 15:26 2Co 13:13 Ga 4:6 Eph 2:18 Tit 3:5,6
a Ge 1:1-31 Ge 2:1-25 Ex 20:11 Job 33:4 Job 38:1-41 Job 39:1-30 Job 40:1-5 Han 4:24 Han 14:15 Ps 33:6 Jes 45:7 (* Job 38:1-41 AV = Job 38:1-38 en Job 39:1-3 SV, Job 39:1-40 en Job 40:1-5 = Job 39:4-38 SV) b Heb 1:3 Ps 104:27-30 Ps 115:3 Mt 10:29 Eph 1:11 c Joh 1:12 Ro 8:15 Ga 4:5-7 Eph 1:5 d Ps 55:22 Mt 6:25,26 Lu 12:22 (* Ps 55:22 AV = Ps 55:23 SV) e Ro 8:28 f Jes 46:4 Ro 10:12 g Mt 6:32,33 Mt 7:9-11
a Han 17:25 Han 17:27,28 Jer 23:23,24 Jes 29:15,16 Eze 8:12 b Heb 1:3 c Jer 5:24 Han 14:17 d Joh 9:3 e Spr 22:2 f Mt 10:29 Spr 16:33
Vr.28. Waartoe dient ons dat wij weten dat God
alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?
Antw. Dat wij in allen tegenspoed geduldig a, in voorspoed
dankbaar zijn mogen b, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed
toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader c, dat ons geen
schepsel van Zijn liefde scheiden zal d, aangezien alle schepselen
alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen
kunnen e.
a Ro 5:3 Jak 1:3 Ps 39:9 Job 1:21,22 (* Ps 39:9 AV = Ps 39:10 SV) b 1Th 5:18 De 8:10 c Ps 55:22 Ro 5:4 (* Ps 55:22 AV = Ps 55:23 SV) d Ro 8:38,39 e Job 1:12 Job 2:6 Spr 21:1 Han 17:25
a Mt 1:21 Heb 7:25 b Han 4:12 Joh 15:4,5 1Ti 2:5 Jes 43:11 1Jo 5:11
Vr.30. Geloven dan die ook aan den enigen
Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelven,
of ergens elders zoeken?
Antw. Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland
Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen a; want van tweeën
één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker
met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van
node is b.
a 1Co 1:13,30,31 Ga 5:4 b Heb 12:2 Jes 9:7 Col 1:19,20 Col 2:10 1Jo 1:7 (* Jes 9:7 AV = Jes 9:6 SV)
a Ps 45:7 Heb 1:9 Jes 61:1 Lu 4:18 (* Ps 45:7 AV = Ps 45:8 SV) b De 18:15 Han 3:22 Han 7:37 Jes 55:4 c Joh 1:18 Joh 15:15 d Ps 110:4 e Heb 10:12,14 Heb 9:12,14,28 f Ro 8:34 Heb 9:24 1Jo 2:1 Ro 5:9,10 g Ps 2:6 Zac 9:9 Mt 21:5 Lu 1:33 Mt 28:18 Joh 10:28 Opb 12:10,11
Vr.32. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd a?
Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus b en
alzo Zijner zalving deelachtig ben c, opdat ik Zijn Naam belijde d,
en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere e,
en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel
strijde f, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen
regere g.
a Han 11:26 b 1Co 6:15 c 1Jo 2:27 Han 2:17 d Mt 10:32 Ro 10:10 e Ro 12:1 1Pe 2:5,9 Opb 1:6 Opb 5:8,10 f 1Pe 2:11 Ro 6:12,13 Ga 5:16,17 Eph 6:11 1Ti 1:18,19 g 2Ti 2:12 Mt 25:34
a Joh 1:14 Heb 1:1,2 Joh 3:16 1Jo 4:9 Ro 8:32 b Ro 8:16 Joh 1:12 Ga 4:6 Eph 1:5,6
Vr.34. Waarom noemt gij Hem onzen Heere?
Antw. Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud
of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij
des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt a.
a 1Pe 1:18,19 1Pe 2:9 1Co 6:20 1Ti 2:6 Joh 20:28
a 1Jo 5:20 Joh 1:1 Joh 17:3 Ro 1:3 Col 1:15 b Ro 9:5 c Ga 4:4 Lu 1:31,42,43 d Mt 1:20 Lu 1:35 e Ro 1:3 Ps 132:11 2Sa 7:12 Lu 1:32 Han 2:30 f Php 2:7 Heb 2:14,17 g Heb 4:15
Vr.36. Wat nuttigheid verkrijgt gij door de
heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Antw. Dat Hij onze Middelaar is a, en met Zijn onschuld en
volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods
aangezicht bedekt b.
a Heb 7:26,27 b 1Pe 1:18,19 1Pe 3:18 1Co 1:30,31 Ro 8:3,4 Jes 53:11 Ps 32:1
a Jes 53:4 1Pe 2:24 1Pe 3:18 1Ti 2:6 b Jes 53:10 Eph 5:2 1Co 5:7 1Jo 2:2 Ro 3:25 Heb 9:28 Heb 10:14 c Ga 3:13 Col 1:13 Heb 9:12 1Pe 1:18,19 d Ro 3:25 2Co 5:21 Joh 3:16 Joh 6:51 Heb 9:15 Heb 10:19
Vr.38. Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius
Pilatus geleden?
Antw. Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld
zijnde a, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons
gaan zou, bevrijdde b.
a Joh 18:38 Mt 27:24 Lu 23:14,15 Joh 19:4 b Ps 69:4 Jes 53:4,5 2Co 5:21 Ga 3:13 (* Ps 69:4 AV = Ps 69:5 SV)
Vr.39. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd
is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?
Antw. Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op
mij lag, op Zich geladen heeft a; dewijl de dood des kruises van God
vervloekt was b.
a Ga 3:13 b De 21:23
a Ge 2:17 b Ro 8:3,4 Heb 2:14,15
Vr.41. Waarom is Hij begraven geworden?
Antw. Om daarmede te betuigen dat Hij waarachtiglijk gestorven was a.
a Han 13:29 Mt 27:59,60 Lu 23:53 Joh 19:38
Vr.42. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe
komt het dat wij ook moeten sterven?
Antw. Onze dood is geen betaling voor onze zonden a, maar
alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven b.
a Mr 8:37 Ps 49:8 b Php 1:23 Joh 5:24 Ro 7:24
Vr.43. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit
de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Antw. Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en
begraven wordt a, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer
regeren b, maar dat wij onszelven Hem tot een offerande der
dankbaarheid opofferen c.
a Ro 6:6 b Ro 6:6,12 c Ro 12:1
Vr.44. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Antw. Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij
ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke
benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn
ganse lijden a, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij
van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft b.
a Ps 18:4,5 Ps 116:3 Mt 26:38 Mt 27:46 Heb 5:7 (* Ps 18:4,5 AV = Ps 18:5,6 SV) b Jes 53:5
a Ro 4:25 1Pe 1:3 1Co 15:16 b Ro 6:4 Col 3:1,3 Eph 2:5,6 c 1Co 15:20,21
a Han 1:9 Mr 16:19 Lu 24:51 b Heb 9:24 Heb 4:14 Ro 8:34 Col 3:1 c Han 1:11 Mt 24:30
Vr.47. Is dan Christus niet bij ons tot aan het
einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft a?
Antw. Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke
natuur is Hij niet meer op aarde b; maar naar Zijn Godheid,
majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons c.
a Mt 28:20 b Heb 8:4 Mt 26:11 Joh 16:28 Joh 17:11 Han 3:21 c Joh 14:18 Mt 28:20
Vr.48. Maar zo de mensheid niet overal is waar de
Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Antw. Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten
worden en overal tegenwoordig is a, zo moet volgen, dat zij wel
buiten haar aangenomen mensheid is b, en nochtans niettemin ook in
haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.
a Jer 23:24 Han 7:49 b Col 2:9 Joh 3:13 Joh 11:15 Mt 28:6
Vr.49 Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Antw. Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders
onze Voorspreker is a. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot
een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich
zal nemen b. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt
c, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is,
zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is d.
a 1Jo 2:1 Ro 8:34 b Joh 14:2 Joh 17:24 Joh 20:17 Eph 2:6 c Joh 14:16 Joh 16:7 Han 2:33 2Co 1:22 2Co 5:5 d Col 3:1
a Eph 1:20-23 Col 1:18 b Mt 28:18 Joh 5:22
Vr.51. Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid
van ons Hoofd Christus?
Antw. Eerstelijk dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten,
de hemelse gaven uitgiet a. Daarna dat Hij ons met Zijn macht tegen
alle vijanden beschut en bewaart b.
a Han 2:33 Eph 4:8 b Ps 2:9 Ps 110:1,2 Joh 10:28 Eph 4:8
Vr.52. Wat troost u de wederkomst van Christus om
te oordelen de levenden en de doden?
Antw. Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even
Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den
vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwacht a,
Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen b, maar
mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid
nemen zal c.
a Php 3:20 Lu 21:28 Ro 8:23 Tit 2:13 1Th 4:16 b Mt 25:41 2Th 1:6 c Mt 25:34 2Th 1:7
a 1Jo 5:7 Ge 1:2 Jes 48:16 1Co 3:16 1Co 6:19 Han 5:3,4 b Ga 4:6 Mt 28:19,20 2Co 1:22 Eph 1:13 c Ga 3:14 1Pe 1:2 1Co 6:17 d Joh 15:26 Han 9:31 e Joh 14:16 1Pe 4:14
a Eph 4:11-13 Eph 5:26 Joh 10:11 Han 20:28 b Ge 26:4 Opb 5:9 c Ro 8:29 Eph 1:10-13 d Jes 59:21 Ro 1:16 Ro 10:14-17 Eph 5:26 e Han 2:42 Eph 4:3-5 f Ps 71:17,18 Jes 59:21 1Co 11:26 g Mt 16:18 Joh 10:28-30 Ps 129:1-5 h 1Jo 3:14 1Jo 3:19-21 Ro 8:10 2Co 13:5 i Ps 23:6 1Co 1:8,9 Joh 10:28 1Jo 2:19 1Pe 1:5
Vr.55. Wat verstaat gij door de gemeenschap der
heiligen?
Antw. Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten
aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben a.Ten
andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid
der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden b.
a 1Jo 1:3 Ro 8:32 1Co 12:12,13 1Co 6:17 b 1Co 12:21 1Co 13:1,5 Php 2:4-8
Vr.56. Wat gelooft gij van de vergeving der
zonden?
Antw. Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook
mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb a,
nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus
schenken b, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome c.
a 1Jo 2:2 1Jo 1:7 2Co 5:19 b Ro 7:23-25 Jer 31:34 Mic 7:19 Ps 103:3,10,12 c Joh 3:18 Joh 5:24
a Lu 16:22 Lu 23:43 Php 1:21,23 b Job 19:25,26 1Jo 3:2 Php 3:21
Vr.58. Wat troost schept gij uit het artikel van
het eeuwige leven?
Antw. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart
gevoel a, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen
oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en
dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen b.
a 2Co 5:2,3 b 1Co 2:9
a Hab 2:4 Ro 1:17 Joh 3:36
Vr.60. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antw. Alleen door een waar geloof in Jezus Christus a; alzo
dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden
Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb b, en nog
steeds tot alle boosheid geneigd ben c, nochtans God, zonder enige
verdienste mijnerzijds d, uit louter genade e
mij de volkomen genoegdoening f, gerechtigheid en heiligheid van
Christus g schenkt en toerekent h, evenals had ik nooit
zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die
Christus voor mij volbracht heeft i, in zoverre ik zulke weldaad met
een gelovig hart aanneem j.
a Ro 3:21,22,24 Ro 5:1,2 Gal 2:16 Eph 2:8,9 Php 3:9 b Ro 3:9 c Ro 7:23 d Tit 3:5 De 9:6 Eze 36:22 e Ro 3:24 Eph 2:8 f 1Jo 2:2 g 1Jo 2:1 h Ro 4:4 2Co 5:19 i 2Co 5:21 j Ro 3:22 Joh 3:18
Vr.61. Waarom zegt gij dat gij alleen door het
geloof rechtvaardig zijt?
Antw. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam
ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van
Christus mijn gerechtigheid voor God is a, en dat ik die niet anders
dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan b.
a 1Co 1:30 1Co 2:2 b 1Jo 5:10
a Gal 3:10 De 27:26 b Jes 64:6
Vr.63. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die
God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
Antw. Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade a.
a Lu 17:10
Vr.64. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en
goddeloze mensen?
Antw. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een
waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid a.
a Mt 7:18 Joh 15:5
a Eph 2:8 Eph 6:23 Joh 3:5 Php 1:29 b Mt 28:19 1Pe 1:22,23
Vr.66. Wat zijn Sacramenten?
Antw. De Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, van
God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies
des te beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege het
enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en
het eeuwige leven uit genade schenkt a.
a Ge 17:11 Ro 4:11 De 30:6 Le 6:25 Heb 9:7-9,24 Ez 20:12 Jes 6:6,7 Jes 54:9
Vr.67. Zijn dan beide, het Woord en de
Sacramenten, daarheen gericht of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de
offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den enigen grond onzer
zaligheid wijzen a?
Antw. Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie en
verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de enige
offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.
a Ro 6:3 Ga 3:27
Vr.68. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het
Nieuwe Verbond of Testament ingezet?
Antw. Twee, namelijk den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.
a Mt 28:19 b Mt 28:19 Mr 16:16 Han 2:38 Joh 1:33 Mt 3:11 Ro 6:3,4 c 1Pe 3:21 Mr 1:4 Lu 3:3
Vr.70. Wat is dat, met het bloed en den Geest van
Christus gewassen te zijn?
Antw. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des
bloeds van Christus wil, hetwelk Hij in Zijn offerande aan het kruis voor ons
uitgestort heeft a; daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en
tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der
zonden afsterven, en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen b.
a Heb 12:24 1Pe 1:2 Opb 1:5 Opb 7:14 Zac 13:1 Eze 36:25 b Joh 1:33 Joh 3:5 1Co 6:11 1Co 12:13 Ro 6:4 Col 2:12
Vr.71. Waar heeft ons Christus toegezegd dat Hij
ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater
gewassen worden?
Antw. In de inzetting des Doops, welke alzo luidt: Gaat dan henen,
onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en
des Heiligen Geestes; Matth. 28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal
zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden;
Mark. 16:16. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad
der wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt; Tit. 3:5, Hand. 22:16.
a Tit 3:5 Han 22:16
a Mt 3:11 1Pe 3:21 Eph 5:26 b 1Jo 1:7 1Co 6:11
Vr.73. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop
het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
Antw. God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om
ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water,
alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen
worden a, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en
waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk
gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden b.
a Opb 1:5 Opb 7:14 1Co 6:11 b Mr 16:16 Ga 3:27
Vr.74. Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Antw. Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond
Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn a, en dat hun door Christus'
bloed de verlossing van de zonden b en de Heilige Geest, Die het
geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt c, zo
moeten zij ook door den Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke
Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden d,
gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is e,
voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is f.
a Ge 17:7 b Mt 19:14 c Lu 1:15 Ps 22:10 Jes 44:1-3 Han 2:39 (* Ps 22:10 AV = Ps 22:11 SV) d Han 10:47 e Ge 17:14 f Col 2:11-13
a Mt 26:26-28 Mr 14:22-24 Lu 22:19,20 1Co 10:16,17 1Co 11:23-25 1Co 12:13
Vr.76. Wat is dat te zeggen, het gekruisigd
lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?
Antw. Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven
van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven
verkrijgen a, maar ook daarbenevens door den Heiligen Geest, Die èn
in Christus èn in ons woont, alzo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer
verenigd worden b, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is c
en wij op aarde zijn, nochtans vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente
zijn d, en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam
door één ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden e.
a Joh 6:35,40,47,48,50,51,53,54 b Joh 6:55,56 c Col 3:1 Han 3:21 1Co 11:26 d Eph 5:29,30 Eph 3:16 1Co 6:15 1Jo 3:24 1Jo 4:13 e Jo 6:57 Joh 15:1-6 Eph 4:15,16
Vr.77. Waar heeft Christus beloofd dat Hij de
gelovigen zo zekerlijk alzo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als
zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
Antw. In de inzetting des Avondmaals, welke alzo luidt a: De
Heere Jezus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood, en als
Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat
voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den
drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe
Testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot
Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen
drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt; 1
Kor. 11:23-26.Deze toezegging wordt ook herhaald door den heiligen Paulus, waar
hij spreekt: De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is
die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood dat wij breken, is
dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus? Want één brood is het, zo
zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn; 1
Kor. 10:16-17.
a Mt 26:26-28 Mr 14:22-24 Lu 22:19,20
a Mt 26:29 b Eph 5:26 Tit 3:5 c 1Co 10:16 1Co 11:26 d Ge 17:10,11 Ex 12:11,13 Ex 13:9 1Pe 3:21 1Co 10:3,4
Vr.79. Waarom noemt dan Christus het brood Zijn
lichaam en den drinkbeker Zijn bloed, of het Nieuwe Testament in Zijn bloed, en
Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Antw. Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet
alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk
leven onderhouden, alzo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de
waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed
worden a; maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden
te verzekeren dat wij zo waarachtiglijk Zijns waren lichaams en bloeds door de
werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen
met den lichamelijken mond tot Zijn gedachtenis ontvangen b; en dat
al Zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wij
zelven in onzen eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg
gedaan.
a Jo 6:55 b 1Co 10:16
a Heb 10:10,12 Heb 7:26,27 Heb 9:12,25 Joh 19:30 Mt 26:28 Lu 22:19 b 1Co 10:16,17 1Co 6:17 c Joh 20:17 Col 3:1 Heb 1:3 Heb 8:1 d Mt 6:20,21 Joh 4:21 Lu 24:52 Han 7:55 Col 3:1 Php 3:20 1Th 1:10 e Heb 9:26 Heb 10:12,14
Vr.81. Voor wie is het Avondmaal des Heeren
ingesteld?
Antw. Voor degenen, die zichzelven vanwege hun zonden mishagen, en
nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn, en dat ook de
overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe
langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.Maar de
hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren, die eten en
drinken zichzelven een oordeel a.
a 1Co 11:28 1Co 10:19-22
Vr.82. Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal
laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en
goddeloze mensen aanstellen?
Antw. Neen; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd, en Zijn toorn
over de ganse gemeente verwekt a. Daarom is de Christelijke Kerk
schuldig, naar de ordening van Christus en Zijn apostelen, zulken, totdat zij
betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.
a 1Co 11:20,34 Jes 1:11 Jes 66:3 Jer 7:21 Ps 50:16
Vr.84. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking
des heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
Antw. Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen
en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als
zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtelijk al
hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil, vergeven zijn;
daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en
betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang
als zij zich niet bekeren a; naar welk getuigenis des Evangelies God
zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.
a Joh 20:21-23 Mt 16:19
Vr.85. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en
ontsloten door den Christelijken ban?
Antw. Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen, die onder den
Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke
malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven
niet willen aflaten, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe
verordineerd zijn, aangebracht worden; en, zo zij aan de vermaning zich niet
storen, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke
gemeente, en van God Zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden; en
wederom als lidmaten van Christus en Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij
waarachtige betering beloven en bewijzen a.
a Mt 18:15-17 1Co 5:4,5,11 2Co 2:6-8
a Ro 6:13 Ro 12:1,2 1Pe 2:5,9 1Co 6:20 b Mt 5:16 1Pe 2:12 c 2Pe 1:10 Mt 7:17 Ga 5:6,22 d 1Pe 3:1,2 Ro 14:19
Vr.87. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in
hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?
Antw. In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise,
afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch rover,
noch dergelijke, het Koninkrijk Gods beërven zal a.
a 1Co 6:9,10 Eph 5:5,6 1Jo 3:14
a Ro 6:1,4-6 Eph 4:22-24 Col 3:5,6,8-10 1Co 5:7 2Co 7:10
Vr.89. Wat is de afsterving des ouden mensen?
Antw. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden
vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden a.
a Ro 8:13 Joe 2:13 Hos 6:1
Vr.90. Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
Antw. Het is een hartelijke vreugde in God door Christus a, en
een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven
b.
a Ro 5:1 Ro 14:17 Jes 57:15 b Ro 6:10,11 Ga 2:20
Vr.91. Maar wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waar geloof a, naar de wet Gods b,
alleen Hem ter eer geschieden c, en niet die op ons goeddunken of op
mensen-inzettingen gegrond zijn d.
a Ro 14:23 b Le 18:4 1Sa 15:22 Eph 2:10 c 1Co 10:31 d Eze 20:18,19 Jes 29:13 Mt 15:7-9
Het eerste gebod
Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod
Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Het derde gebod
Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Het vierde gebod
Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod
Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod
Gij zult niet doodslaan.
Het zevende gebod
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Het tiende gebod
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
Vr.93. Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
Antw. In twee tafelen a; waarvan de eerste leert, hoe wij ons
jegens God zullen houden; de andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn b.
a De 4:13 Ex 34:28 De 10:3,4 b Mt 22:37-40
Vr.94. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antw. Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij a,
toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof b, aanroeping van de
heiligen of van andere schepselen c, mijde en vliede, en den enigen
waren God recht lere kennen d, Hem alleen vertrouwe e,
in alle ootmoedigheid f en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe g,
van Hem alleen alles goeds h verwachte, Hem van ganser harte
liefhebbe i, vreze j en ere k, alzo, dat ik eer
van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen
Zijn wil doe l.
a 1Jo 5:21 1Co 6:10 1Co 10:7,14 b Le 19:31 De 18:9,10 c Mt 4:10 Opb 19:10 Opb 22:8,9 d Joh 17:3 e Jer 17:5,7 f 1Pe 5:5 g Heb 10:36 Col 1:11 Ro 5:3,4 1Co 10:10 Php 2:14 h Ps 104:27 Jes 45:7 Jak 1:17 i De 6:5 Mt 22:37 j De 6:2 Ps 111:10 Spr 1:7 Spr 9:10 Mt 10:28 k Mt 4:10 De 10:20 l Mt 5:29 Mt 10:37 Han 5:29
Vr.95. Wat is afgoderij?
Antw. Afgoderij is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn
Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben,
waarop de mens zijn vertrouwen zet a.
a Eph 5:5 1Kr 16:26 Php 3:19 Ga 4:8 Eph 2:12 1Jo 2:23 2Jo 1:9 Joh 5:23
a Jes 40:18,19,25 De 4:15,16 Ro 1:23 Han 17:29 b 1Sa 15:23 De 12:30 Mt 15:9
Vr.97. Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
Antw. God kan en mag in generlei wijze afgebeeld worden a.
Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch
God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te
dienen b.
a Jes 40:25 b Ex 34:17 Ex 23:24 Ex 34:13 Nu 33:52
Vr.98. Maar zou men de beelden in de kerken als
boeken der leken niet mogen dulden?
Antw. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn
Christenen niet door stomme beelden a, maar door de levende
verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben b.
a Jer 10:8 Hab 2:18,19 b Ro 10:14,15,17 2Pe 1:19 2Ti 3:16,17
a Le 24:15,16 b Le 19:12 c Mt 5:37 Jak 5:12 d Le 5:1 Spr 29:24 e Jer 4:2 Jes 45:23 f Mt 10:32 Ro 10:9,10 g Ps 50:15 1Ti 2:8 h Col 3:17 Ro 2:24 1Ti 6:1
Vr.100. Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met
zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die,
zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en
verbieden?
Antw. Ja gewisselijk a; want er is geen groter zonde, noch die
God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met den
dood te straffen bevolen heeft b.
a Spr 29:24 Le 5:1 b Le 24:16
a De 6:13 De 10:20 Jes 48:1 Heb 6:16 b Ge 21:24 Ge 31:53 Jos 9:15 1Sa 24:22 2Sa 3:35 1Ko 1:29 Ro 1:9 Ro 9:1 2Co 1:23 (* 1Sa 24:22 AV = 1Sa 24:23 SV)
Vr.102. Mag men ook bij de heiligen, of bij enige
andere schepselen een eed zweren?
Antw. Neen; want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als
Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe,
indien ik valselijk zweer a; welke eer aan geen schepsel toebehoort b.
a 2Co 1:23 Ro 9:1 b Mt 5:34-36 Jak 5:12
a Tit 1:5 2Ti 3:14 1Co 9:13,14 2Ti 2:2 2Ti 3:15 b Ps 40:9,10 Ps 68:26 Han 2:42 (* Ps 40:9,10 AV = Ps 40:10,11 SV, Ps 68:26 AV = Ps 68:27 SV) c 1Ti 4:13 1Co 14:29 d 1Co 11:33 e 1Ti 2:1 1Co 14:16 f 1Co 16:2 g Jes 66:23
a Eph 6:1,2,5 Col 3:18,20,22 Eph 5:22 Spr 1:8 Spr 4:1 Spr 15:20 Spr 20:20 Ex 21:17 Ro 13:1 b Spr 23:22 Ge 9:24 1Pe 2:18 c Eph 6:4,9 Col 3:20 Ro 13:2,3 Mt 22:21
a Mt 5:21,22 Mt 26:52 Ge 9:6 b Eph 4:26 Ro 12:19 Mt 5:25 Mt 18:35 c Ro 13:14 Col 2:23 Mt 4:7 d Ge 9:6 Ex 21:14 Mt 26:52 Ro 13:4
Vr.106. Maar dit gebod schijnt alleen van het
doodslaan te spreken?
Antw. God, verbiedende den doodslag, leert ons dat Hij den wortel des
doodslags, als nijd a, haat b, toorn c en
wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt d.
a Spr 14:30 Ro 1:29 b 1Jo 2:11 c Jak 1:20 Ga 5:19-21 d 1Jo 3:15
Vr.107. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste,
zoals tevoren gezegd is, niet doden?
Antw. Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt dat
wij onzen naaste liefhebben als onszelven a, en jegens hem geduld,
vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen b,
zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren c, en ook onzen
vijanden goed doen d.
a Mt 22:39 Mt 7:12 Ro 12:10 b Eph 4:2 Ga 6:1,2 Mt 5:5 Ro 12:18 Lu 6:36 Mt 5:7 1Pe 3:8 Col 3:12 c Ex 23:5 d Mt 5:44,45 Ro 12:20
a Le 18:28 b Ju 1:23 c 1Th 4:3-5 d Heb 13:4 1Co 7:7
Vr.109. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan
echtbreken en dergelijke schandelijkheden?
Antw. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo
wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle
onkuise daden, gebaren, woorden a, gedachten, lusten b, en
wat den mens daartoe trekken kan c.
a Eph 5:3,4 1Co 6:18,19 b Mt 5:27,28 c Eph 5:18 1Co 15:33
a 1Co 6:10 b 1Co 5:10 Jes 33:1 c Lu 3:14 1Th 4:6 d Spr 11:1 Spr 16:11 Eze 45:9,10 De 25:13 e Ps 15:5 Lu 6:35 f 1Co 6:10 g Spr 23:20,21 Spr 21:20
Vr.111. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem
alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde a; daarenboven
ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge b.
a Mt 7:12 b Eph 4:28
a Spr 19:5,9 Spr 21:28 b Ps 15:3 Ps 50:19,20 c Ro 1:30 d Mt 7:1 Lu 6:37 e Joh 8:44 f Spr 12:22 Spr 13:5 g 1Co 13:6 Eph 4:25 h 1Pe 4:8
a Ro 7:7
Vr.114. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd
zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
Antw. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven
zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid a; doch
alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al
de geboden Gods beginnen te leven b.
a 1Jo 1:8 Ro 7:14,15 Pre 7:20 1Co 13:9 b Ro 7:22 Ps 1:2
Vr.115. Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk
de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Antw. Eerstelijk opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer
hoe meer leren kennen a, en des te begeriger zijn, om de vergeving
der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken b. Daarna, opdat
wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen
Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden,
totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken c.
a Ro 3:20 1Jo 1:9 Ps 32:5 b Mt 5:6 Ro 7:24,25 c
1Co 9:24 Php 3:12-14
a Ps 50:14 b Mt 7:7 Lu 11:9,13 1Th 5:17
Vr.117. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode
aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
Antw. Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn
Woord ons geopenbaard heeft a, om al hetgeen dat Hij ons geboden
heeft te bidden b, van harte aanroepen c. Ten andere dat
wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen d, opdat wij
ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen e.
Ten derde dat wij dezen vasten grond hebben f dat Hij ons gebed,
niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk
wil verhoren g, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft h.
a Opb 19:10 Joh 4:22-24 b Ro 8:26 1Jo 5:14 Jak 1:5 c Joh 4:24 Ps 145:18 d 2Kr 20:12 e Ps 2:11 Ps 34:18 Jes 66:2 (* Ps 34:18 AV = Ps 34:19 SV) f Ro 10:14 Jak 1:6 g Joh 14:13 Joh 16:23 Da 9:18 h Mt 7:8 Ps 27:8
Vr.118. Wat heeft ons God bevolen van Hem te
bidden?
Antw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft a, welke de
Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.
a Jak 1:17 Mt 6:33
Vr.119. Hoe luidt dat gebed?
Antw. a Onze Vader, Die in de hemelen zijt. 1. Uw Naam worde
geheiligd. 2. Uw Koninkrijk kome. 3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo
ook op de aarde. 4. Geef ons heden ons dagelijks brood. 5. En vergeef ons onze
schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 6. En leid ons niet in
verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de
kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.
a Mt 6:9-13 Lu 11:2-4
a Mt 7:9-11 Lu 11:11-13
Vr.121. Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de
hemelen zijt?
Antw. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken a,
en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten b.
a Jer 23:23,24 Han 17:24,25,27 b Ro 10:12
a Joh 17:3 Jer 9:24 Jer 31:33,34 Mt 16:17 Jak 1:5 Ps 119:105 b Ps 119:137 Lu 1:46,47,68,69 Ro 11:33 c Ps 71:8 Ps 115:1
a Ps 143:10 Ps 119:5 Mt 6:33 b Ps 51:18 Ps 122:6 (* Ps 51:18 AV = Ps 51:20 SV) c 1Jo 3:8 Ro 16:20 d Opb 22:20 Ro 8:22,23 e 1Co 15:28
a Mt 16:24 Tit 2:11,12 b Lu 22:42 Eph 5:10 Ro 12:2 c 1Co 7:24 d Ps 103:20,21
a Ps 145:15 Ps 104:27 Mt 6:26 b Jak 1:17 Han 14:17 Han 17:27 c 1Co 15:58 De 8:3 Ps 37:16 Ps 127:1,2 d Ps 55:22 Ps 62:10 Ps 146:3 Jer 17:5,7 (* Ps 55:22 AV = Ps 55:23 SV, Ps 62:10 AV = Ps 62:11 AV)
a Ps 51:1 Ps 143:2 1Jo 2:1 Ro 8:1 (* Ps 51:1 AV = Ps 51:3 SV) b Mt 6:14
a Joh 15:5 Ps 103:14 b 1Pe 5:8 Eph 6:12 c Joh 15:19 d Ro 7:23 Ga 5:17 e Mt 26:41 Mr 13:33 f 1Th 3:13 1Th 5:23
Vr.128. Hoe besluit gij uw gebed?
Antw. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der
eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze
Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen
hebt a, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam
eeuwiglijk geprezen worde b.
a Ro 10:12 2Pe 2:9 b Joh 14:13 Jer 33:8,9 Ps 115:1
Vr.129. Wat beduidt het woordeken: Amen?
Antw. Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is
veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem
begeer a.
a 2Co 1:20 2Ti 2:13